Na racisme is nu ook armoede relatief.

Een jaar geleden wisten enkele prominente zeloten van de NVA ons te vertellen dat racisme relatief is. Vandaag trekt vicerector Danny Pieters van de Katholieke Universiteit Leuven en NVA lid, die lijn verder. Zonder blikken of blozen wordt niet alleen het onderscheid gemaakt tussen “goede” en “foute” armen (de goede gaan dankbaar door de knieën voor de toegeworpen kruimels), maar wordt armoede beschreven als relatief en niet relevant. Want “vandaag kunnen mensen die alles krijgen waar ze recht op hebben, op een min of meer treffelijke manier arm zijn.”

Op een “treffelijke manier” arm zijn, hoe doe je dat? Door te relativeren misschien ? Je bent tenslotte samen met een miljoen anderen arm in België. En zei Margaret Thatcher het al niet in de jaren tachtig: armoede is een fundamenteel karaktergebrek. Kortom, een “goede” arme zijn doe je dus kennelijk bij volle besef dat de oplossing bij het individu moet worden gezocht. Pas als je je realiseert dat jouw gevoel van armoede niet alleen relatief is (want vandaag kan je alles krijgen waar je recht op hebt, dixit D. Pieters), maar je bovendien zelf voor die armoede verantwoordelijk bent, dan – en alleen dan – ben je een waardige arme die het mededogen van vicerector Danny Pieters verdient.

Nu weet ik dat de geschiedenis van de Leuvense Universiteit teruggaat tot de late middeleeuwen. Maar kennelijk dateert de visie van z’n vicerector op armoede ook uit die tijd. Weg met dat linkse idee dat je armoede bestrijd met solidariteit. Armoede los je opnieuw op – zoals ten tijde van de armenhuizen – met liefdadigheid, liefst via particuliere giften, want hulp is weer helemaal een gunst. Weg ook met het idee werkloosheid te zien als een collectief probleem. Werkloosheid, dat is toch gewoon een kwestie van luiheid, te weinig “human capital”, niet ?

De tirade van Pieters in Knack doet denken aan oude woorden van George Orwell, die zich tachtig jaar geleden al afvroeg waarom “mensen aannemen dat ze het recht hebben tegen je te preken zodra je inkomen onder een bepaald niveau is beland.” Pieters is op die manier de verpersoonlijking van het nieuwe denken. Armoede is dan een weerspiegeling van verdienste. Wat de markt produceert, vinden we “natuurlijk”, en wat de politiek ermee doet via sociale herverdeling, zien we als kunstmatig. De eerste verdeling is een gegeven, de herverdeling is een kwestie van rechtvaardigheid. Of jaloezie.

Zo komt het dat de armen in de Orwelliaanse wereld van Pieters én aan het loket van de Sociale Dienst keer op keer moeten bewijzen dat ze onze steun echt verdienen. Ze moeten laten zien dat hun ziekte wel erg genoeg is, hun depressie wel zwaar genoeg en vooral dat ze gewoon pech hebben gehad. Dan, en alleen dan, hebben ze recht op Pieters’ aalmoes.

Vicerector Pieters, de goede armen danken u voor dit verheffende wereldbeeld. U toonde zich een waardig zwart-gele katholiek.

Leave a Reply